Het sectorplan Zorg moet bijdragen aan het oplossen van de arbeidsmarktproblemen als gevolg van hervormingen, bezuinigingen en decentralisaties in de zorg.
Doel van dit sectorplan is om ca. 80.000 mensen op te leiden voor ander werk in de sector Zorg en Welzijn en / of van werk naar werk te begeleiden en daarmee zoveel als mogelijk ontslag te voorkomen.
Lees verder…

INFORMATIE

Tussenstand Sectorplan Zorg Noord-Nederland

De uitvoering van de 18 regionale sectorplannen in de zorgsector ligt ‘op koers’. Het bestuur van RegioCoöp, de coöperatieve vereniging die werd opgericht om de administratieve controle en verantwoording van deze plannen in goede banen te leiden, heeft  Bureau Bartels […]

Downloads

Veel gestelde vragen

Ja, een BBL- of duaaltraject kan ook later starten. Echter voor trajecten die later starten dan na 1 jaar na afgifte van de beschikking geldt dat er subsidie beschikbaar is tot maximaal 36 maanden na afgifte van de subsidiebeschikking. De einddatum voor BBL- en duaaltrajecten is 15 juli 2017.
Een BBL- of duaaltraject dat voor 1 juni 2014 is gestart komt niet in aanmerking
Werkgevers hebben zelf de vrijheid om scholingsactiviteiten in te kopen binnen de toegekende maatregelen in het maatregelenplan. Voor externe kosten geldt echter wel dat moet worden aangetoond dat er geen bovenmatige kosten worden opgevoerd. Dit betekent dat de werkgever een verstandig inkoopbeleid dient te voeren en hierover ook verantwoording moet afleggen. De marktconformiteit geldt voor de maatregelen 1, 2, 3, 4 en 7

Voor inkooporders tot € 5.000,- (opdrachtwaarde excl. BTW) hoeft geen marktconformiteit te worden aangetoond. Voor opdrachten boven de € 5.000,- dienen drie offertes te worden aangevraagd. Hier kan niet van worden afgeweken.

Voor de voorwaarden en richtlijnen verwijzen wij naar de brochure RegioCoop januari 2015.

Voor de maatregelen 5 en 6 hoeven geen offertes te worden aangevraagd. Hierbij gaan we uit van de loonkosten en niet van de opleidingskosten.

De opleidingen onder maatregel 2, 3 en 4, die in het kader van de sectorplan worden uitgevoerd, moeten inhoudelijk worden getoetst of ze arbeidsmarktrelevant zijn en of ze passen bij de doelstellingen van het sectorplan. Om dit te borgen laat iedere hoofdaanvrager een toetsingsprocedure arbeidsmarktrelevantie uitvoeren door de Commissie arbeidsmarktrelevantie, bestaande minimaal uit een vertegenwoordiger vanuit de werkgevers en een vertegenwoordiger vanuit de werknemers.

Alle opleidingen dienen te voldoen aan de volgende eisen:
1. De opleiding heeft een algemeen karakter. Dat wil zeggen dat de resultaten van de opleiding tevens relevant zijn voor functies bij andere werkgevers;
2. De opleiding draagt bij aan employability van werknemers;
3. De opleiding past binnen de doelstellingen van het sectorplan;
4. Een opleiding duurt minimaal één dag (6 klokuren of 2 x 3 uur);
5. BHV, EHBO en E-learning zijn geen subsidiabele activiteiten.

Werkgevers dienen kritisch naar hun eigen activiteiten te kijken, dit voorkomt teleurstellingen. Bij twijfel kan de werkgever overleggen met de regionale projectleider van de hoofdaanvrager.

Voor de maatregelen 5 en 6 hoeft de arbeidsmarktrelevantie niet aangetoond te worden.

Zolang het project loopt en er nog middelen beschikbaar zijn, kan er subsidie aangevraagd worden. De startdatum van het project is 1 juni 2014 en de einddatum is 31 mei 2016. Voor de maatregelen 1, 2, 3, 4 en 7 heeft men binnen die periode recht op subsidie.
De maatregelen 5 en 6 lopen nog een een jaar door, tot 15 juli 2017.
BBL versus derde leerweg
Een BBL-traject beslaat tenminste 610 uren beroepspraktijkvorming (BPV-uren). Het aantal uren BPV (of praktijkuren) staat vermeld op de BPVO/POK. Indien op de BPVO/POK minder BPV-uren staan dan 610 dan is het mogelijk een derde leerweg. Een BBL opleiding is altijd voorzien van een crebo nummer.

Voor de BPVO verklaring gelden de volgende criteria:
• De BPVO betreft een BBL-opleiding. BBL of beroepsbegeleidend leerweg staat vermeld op de BPVO
• de deelnemer, werkgever, opleider en opleiding (crebo-nummer) zijn vermeld op de BPVO
• De BPVO is door de 3 partijen ondertekend (kenniscentrum hoeft niet te ondertekenen)
• Er staat nergens op de BPVO dat het een derde leerweg of deelcertificaten traject betreft
Als de BPVO hier aan voldoet, is aangetoond dat deze past binnen maatregel 5.

Bij onduidelijk kan navraag bij het opleidingsinstituut gedaan worden over de aard van de opleiding. Indien hier wel sprake is van BBL, vraag dan aan het opleidingsinstituut of zij dit per brief of mail willen bevestigen.

Indien deze criteria er niet zijn is er sprake van derde leerweg.
Is er sprake van derde leerweg dan kan deze mogelijk opgevoerd worden onder maatregel 3 of 4. Tenzij de trajecten groter zijn dan 160 scholingsuren. Is daar sprake van, dan graag overleg.
Voor de verantwoording van 3e leerweg trajecten dient contact opgenomen te worden met het SSC. In dit geval worden ter onderbouwing de volgende documenten opgenomen:

• Deelnemersverklaring
• Loonstrook start activiteit
• Loonstrook maand einde activiteit (indien traject langer dan 3 maanden)
• Prestatiebewijs (diploma, verklaring ROC)
• BPVO / POK overeenkomst

Het aantal BPVO uren mag nooit meer bedragen dan de totale contracturen in dezelfde periode.
Het berekenen van de subsidiabele loonkosten gaat als volgt:
praktijkuren zoals opgenomen in de BPVO/POK * 20% van het WML

TWITTER

LINKS

> RegioPlus
> Agentschap SZW
Sectorplannen
> ZorgpleinNoord